De Achtertuin van Amsterdam

‘Een supermarkt, hier…? Er zijn hier helemaal geen winkels. Voor je boodschappen moet je naar Noord.’
Het dreunt binnen: Noord.
Ik wil niet naar Noord. Ik wil hier blijven. In Holysloot: een dorp bestaande uit drie huizen, twee koeien en een bushalte. De wens zit diep. Het laagland, de kleine maar onbetaalbare huisjes, de kiekedieven en wolken als geklopte slagroom van vers gemolken blaarkoppen.
Ik ga wandelen en passeer een boer. Hij staat tussen zijn schapen in een verdronken stuk land. De boer zwaait niet. Hij klemt één van zijn schapen tegen zijn onderbenen en knipt de hoeven van het beest, dat tot mijn verbazing doodstil blijft liggen.
‘Als ze in onmacht leggen, kunnen ze niks meer’, vertelt de boer. Dat weet ik toch wel: een schaap die op zijn rug ligt, kan niets meer. Dan leggen ze in onmacht, herhaalt hij in een accent dat schuurt aan het Amsterdams. Hij wil weten waar ik naartoe loop. Naar Uitdam, vertel ik monter, trekkend aan de banden van mijn rugzak ter bevestiging van mijn plan. De man schudt zijn hoofd. Zijn erf loopt dood. Ik moet terug. Nee, niet naar Noord, maar naar Holysloot. Ik besluit de boer en zijn schaap, en ook zijn vrouw die de was ophangt, jawel, ik besluit deze ‘menschen van eene noeste vlijt’ met rust te laten, en keer terug naar de heilige sloot die bleekgroen en drassig al op me heeft gewacht.