HET GROTE LOSLATEN

Nicolline van der Spek vloog samen met haar 22-jarige zoon naar één van de leegste landen op aarde. Vrienden waren bezorgd. ‘Weten jullie wel hoe groot Namibië is?’

Geen idee wat voor dag het is. Zo gaat dat in dit land. Je vergeet alles, behalve de woestijnolifanten van gisteren. Die blijven vandaag, morgen en overmorgen op ons netvlies gebrand. We zijn hoe dan ook op weg naar Palmwag, een relatieve korte rit van 250 kilometer, maar iets klopt er niet: onze auto doet raar. Mijn zoon merkt het ook: ‘Mam, je moet niet zo slingeren, dat is niet goed voor de banden.’
Ik probeer de auto recht op de weg te houden, maar dat valt nog niet mee op een wegdek van losse keien.
‘Mam, volgens mij hebben we een lekke band.’
Het zal toch niet, denk ik en herinner me te hebben gelezen dat de omgeving van Palmwag de meeste roofdieren telt buiten Etosha National Park. Dáár is het strikt verboden je auto te verlaten, want elk moment kan er een leeuw opduiken. Hier hebben we te maken met luipaarden. We zien ze weliswaar niet, maar ze zijn er wel. Net als hyena’s, cheetah’s en giftige slangen, niet te vergeten, de obsessie van mijn zoon Jochem: ‘Wist je dat je na twintig minuten dood bent als je wordt gebeten door een Black Mamba?’ Nee, dat wist ik niet en dat wil ik eigenlijk ook niet weten. ‘De pofadder is nog veel viezer. Die zie je niet, die ligt onder het zand verstopt. Als je er op gaat staan ben je er geweest.’
‘Het is gewoon een lastige weg’, probeer ik nog, maar mijn zoon hangt al met zijn hoofd uit het raam: ‘Ja hoor, lek.’

Twaalf jaar geleden gingen we met z’n tweeën kamperen in Zuid-Frankrijk, door de tien-jarige destijds het ‘Paradijs van Leukheid’ genoemd, nu zijn we afgereisd naar het leegste land ter wereld, op Mongolië na.

Zandstorm
De meeste mensen aan wie ik vertel dat ik naar Namibië ga, zeggen dit geweldig te vinden. Zodra ik zeg dat ik met mijn zoon ga, verklaren ze me voor gek. Wát als je pech krijgt?
Jochem en ik hebben een speciale band; ik heb hem alleen opgevoed. We zijn daarom nogal close. Twaalf jaar geleden gingen we met z’n tweeën kamperen in Zuid-Frankrijk, door de tien-jarige destijds het ‘Paradijs van Leukheid’ genoemd, nu zijn we afgereisd naar het leegste land ter wereld, op Mongolië na, en zitten we tegenover de mevrouw van de car rental in de hoofdstad Windhoek. ‘Luister goed’, zegt ze streng, ‘bij een zandstorm moeten jullie onmiddellijk van de weg af. Parkeer de auto met de achterkant ríchting de storm, zet je alarmlicht aan en wacht in de auto tot de storm voorbij is.’ Jochem en ik doen alsof het de normaalste zaak van de wereld is: een zandstorm, natuurlijk! Hoe zit het eigenlijk met een lekke band in Etosha? ‘Dan moet je in de auto blijven zitten tot er een park ranger langskomt. Sowieso is een aanrijding met een dier voor jullie eigen rekening. Rijd daarom nooit in het donker. Dan vraag je om een aanrijding met een olifant.’
Helder.
‘Waarom ga je niet met een groep?’ opperde één van mijn vriendinnen. ‘Jullie hebben nul verstand van auto’s. En weten jullie wel hoe groot Namibië is?’

Grote leegte
Namibië is bijna net zo groot als Frankrijk en Italië bij elkaar en telt 3 miljoen inwoners. Terrasjes vind je er niet. Wel de oudste woestijn van de wereld, de Namid genaamd, dat ‘grote leegte’ betekent en zich langs de kust uitstrekt over een lengte van tweeduizend kilometer.
De woestijn is beroemd om de Welwitschiaplant, in de volksmond de ‘kanniedoodplant’ genoemd, omdat hij meer dan duizend jaar oud kan worden. Verder is Namibië zó leeg dat je er dinosaurussen verwacht.
‘En slangen!’ brengt Jochem mij nog maar eens in herinnering. ‘Weet je wat óók een vieze slang is? De spitting cobra.’
Enfin, het is vooral mijn zoon die weigert met een groepsreis mee te gaan, want op grote groepen is hij niet zo gesteld. Ter overtuiging komt hij met Instagram op de proppen: ‘Daar barst het van de mensen die alleen door Namibë reizen.’
En dat is meteen míjn grootste angst. Namibië lijkt ineens bovenaan ieders bucketlist te staan. Open Insta en voor elke Namibische rotsformatie poseert een influencer in een lange witte jurk.

Durf ik een foto te maken of valt dit onder de noemer ‘koloniaal fotograferen?

De liftster
Hererovrouwen dragen ook jurken, hele mooie zelfs in de felste kleuren met op hun hoofd een dwarsgeplaatste grote hoed. Samen met de San en de Himba behoren de Herero tot de oorspronkelijke bevolking van Namibië. Halverwege de reis krijgen we de kans nader kennis te maken met een Hererovrouw als we tijdens het tanken worden aangesproken door een man. Hij wil weten waar we heengaan. ‘Opuwo’, antwoorden we. Er verschijnt een grote lach op zijn gezicht. ‘Mag mijn moeder dan misschien met jullie meerijden? Ze zit daar.’
Een Herero!
Samen met haar kleinzoon, die niet van haar zijde wijkt, loopt ze naar de auto. We schuiven onze koffers opzij en maken plaats op de achterbank.
Communicatie anders dan met handen en voeten is helaas onmogelijk. De vrouw kijkt naar buiten, het kind slaapt en wij rijden door. Kilometer na kilometer. Waar zou ze eruit moeten? Zwijgend rijden we verder.
Ineens zie ik Jochem voor me als kleine dreumes, slapend in de auto, nu zit hij achter het stuur, een man van bijna twee meter. Ondertussen bedenk ik wat we allemaal kunnen doneren. In ieder geval mijn jas die ik over de beentjes van het zo zoet slapende ventje heb gelegd. Uiteraard onze zakken macaroni. En water, heel veel water, want Namibië is droog.
Al decennia lang kreunt het land onder extreme droogte. Honger, armoede, dorst – Jochem weet niet wat hij meemaakt. Zelf ben ik wel wat gewend, ik heb vaker door Afrika gereisd, maar als je kinderen langs de kant van de weg ziet bedelen om water, doet dat wat met je.
Ik kijk nog maar eens achterom en knik. Met mijn knik probeer ik contact te maken. De vrouw knikt niet terug. Ik twijfel en pak mijn telefoon: durf ik een foto te maken of valt dit onder de noemer ‘koloniaal fotograferen’?
‘Mam, niet doen.’ Mijn zoon is weer eens wijzer, maar te laat; de foto is al gemaakt. Een Hererovrouw op de achterbank! Leuk voor de socials, denk ik er tot mijn schande bij.

De liftster met kleinkind

Ghosttown
De Victoriaans aandoende dracht, de jurk van onze liftster, stamt nog uit de koloniale tijd toen Duitse missionarissen de Hererovrouwen verplichtten ‘zedelijke’ jurken te dragen. Als laatste punt van de koloniale taart, werd Namibië eind van de negentiende eeuw een Duitse kolonie, met als gevolg dat je er tot op de dag vandaag zuurkool kunt eten en er Konditoreien aantreft. Apfelstrudel in de woestijn. Ja bitte!
In dezelfde woestijn, ter hoogte van Lüderitz, ontdekte een zekere Zacharias Lewala in 1908 een diamant. Hij liet ‘m zien aan zijn baas, de Duitse spoorweginspecteur Augustus Stauch; had ‘ie beter niet kunnen doen, dacht ik nog. Kort daarna verklaarde de Duitse regering het hele terrein tot Sperrgebiet en liet er diamanten delven. In ijltempo werd er een stadje uit het zand gestampt, dat door de diamantkoorts zou uitgroeien tot de rijkste stad van Afrika. Mijn fantasie maakt overuren als ik door het zand van Kolmanskop ploeter. Het is 1910. Alles moet per schip worden aangevoerd, maar toch heeft het woestijndorp alles wat de decadente Westerse mens zich kan wensen: een casino, een theater, een winkel waar je kaviaar kunt kopen en een kegelbaan voor nog meer vertier. Elk huis heeft telefoon en elektriciteit. En Kolmanskop is de enige stad in het Zuidelijk Halfrond met een röntgenapparaat. Het apparaat wordt weliswaar ook gebruikt in het ziekenhuis, maar dient toch vooral om de mijnwerkers te controleren: hebben de harde werkers misschien niet heel toevallig een diamant ingeslikt?
Het mooie van Kolmanskop is dat het er nog altijd is, alleen totaal verlaten. Toen het delven van diamanten op zijn eind liep en de bewoners in hetzelfde ijltempo naar een ander gebied trokken om hun geluk te beproeven, zag de woestijn zijn kans. En zo verwaaide de ooit rijkste stad van Afrika tot een paradijs voor fotografen.

Het verlaten mijnwerkersdorp Kolmanskop

Ooit een oase
Minstens zo fotogeniek zijn de zandduinen van Sossusvlei, met hun 400 meter één van de hoogste ter wereld. Hoe lager de zon, des te mooier de kleuren, daarom hoor je op de campsite van Sesriem al om vier uur ’s ochtends de eerste tentritsen opengaan. Ik word er onrustig van en maak mijn zoon wakker, die in zijn eigen daktent ligt. ‘Mam, die duinen staan er al duizend jaar, die staan er straks ook nog wel.’
Ja, maar het licht, denk ik, en begin het kamp op te breken. Het kind moet er nu zo zoetjes aan ook uit, want hij slaapt in de tent op de auto en met die auto moeten we nu echt weg. En zo rijden we voor mijn gevoel als laatsten richting Dune 40. De duinen van Sossusvlei hebben cijfers, moet je weten. Dune 40 ligt 40 km van Sesriem, Dune 45…enfin, je snapt het.

De bomen zijn skeletten geworden. Ze staan al bijna duizend jaar zwartgeblakerd in een landschap dat door Salvador Dali lijkt te zijn geschilderd

Na het beklimmen van Dune 45, waarbij het leeftijdsverschil weer eens pijnlijk duidelijk werd (‘Handje mam?’) rijden we naar Deadvlei. Dat doen we trouwens niet zelf, want in de route ernaartoe, al is het maar vijf kilometer, komt menig toerist vast te zitten. Zo ook nu, twee wanhopige Aziaten. Met hun auto zitten ze wieldiep in het zand.
Goed, Deadvlei. De plek staat bekend om zijn dode bomen van bijna duizend jaar oud en is uitgegroeid tot een influencers paradise. Dít is dus het Namibië dat je overal terugziet op Instagram. Zwarte bomen, rode duinen, blauwe luchten, witte jurken. Maar mooi is het zeker!
De dodenvalei was ooit een oase waar een rivier uitmondde. Klimaatverandering zorgde voor uitdroging. Door de extreme hitte kregen de bomen zelfs niet de kans te ontbinden. Het zijn skeletten geworden. Ze staan al bijna duizend jaar zwartgeblakerd in een landschap dat door Salvador Dali lijkt te zijn geschilderd. Tja, die influencers. Ik begrijp ze wel, moet ik toegeven.

 

Dune 45

Los van de wereld
Terug in Nederland krijg ik regelmatig de vraag wat ik het allermooiste vond van de reis. De zandduinen, roep ik spontaan, nee, ons bezoek aan de Himba of wacht: tóch de woestijnolifanten. Er zijn er nog maar 150 van, maar wij hadden het geluk er zeventien te zien bij Brandberg. Een kudde met, hoera!, een kleintje. Het mannetje blijkt vijftig jaar oud te zijn, hoorden we later en daar ben ik even op gaan kauwen. Zelf ben ik van ’65, de olifant van ’75. Net als ik heeft hij dus de dood van Elvis meegemaakt, de val van de Muur, de vrijlating van Nelson Mandela en recent de inval in Oekraïne. Maar het mooie is, het is allemaal langs hem heengegaan. Zijn enige zorg was én is de kudde. En daar doe je automatisch aan mee als je wat langer in Namibië bent. Je laat je leiden door de leegte en valt ongemerkt buiten de tijd. Misschien vind ik dát bij nader inzien wel het mooiste van Namibië, het grote loslaten. Zeker in het gezelschap van mijn zoon, die ik deze reis letterlijk de wijde wereld heb ingestuurd. Overdag de onverharde wegen en ’s avonds dat ijzeren laddertje op naar onze daktent, elkaar welterusten wensend in de wetenschap te gaan slapen onder een dikke deken van sterren. Twee weken lang waren we samen helemaal los van de wereld. Een reis om in te lijsten.

Opweg naar onze slaapplek in Aus

Is een self-drive door Namibië goed te doen?
Het antwoord is ja. Wel moet je met een aantal zaken rekening houden. De onverharde wegen zijn pittig. Een lekke band is eerder regel dan uitzondering. Je hebt niet overal bereik in de woestijn, daarom is het handig een satelliettelefoon te huren. Tot slot: tank waar je kunt, neem genoeg water mee en ga niet off the road.

3 TOPTIPS

Zeker niet overslaan
Te veel mensen slaan het zuiden van Namibië over, terwijl de landschappen van de Kalahariwoestijn en de Garub met zijn wilde paarden juist zo mooi zijn. Wij sliepen in één van de Eagle’s Nest Chalets van Klein Aus Vista. Google maar even…
Als je er toch bent
Wij vonden Swakopmund – een plaats aan de kust – geen must. Wel zagen we er een Black Mamba in het Desert Snake Park, de snelste en giftigste slang van Namibië. Daarna – nóg vetter – crossen in de duinen van Walvisbaai met na afloop oesters. Te boeken via Sandwich Harbour.
Absoluut hoogtepunt
Breng een bezoek aan de Himba in Kaokoland. Dit semi-nomadische volk met hun rode kleiachtige dreadlocks leeft van veeteelt (koeien, schapen, geiten). Hoe meer dieren, des te groter de status. Dus toen wij desgevraagd vertelden dat wij thuis slechts twee katten hebben, barstten de vrouwen in lachen uit.

De gevreesde Black Mamba

Creditline:
Tekst: Nicolline van der Spek | Fotografie: Nicolline van der Spek, Jochem Moens. Met dank aan: Afrika Reisopmaat. Dit artikel is verschenen in TripTalk, januari 2026